Insecten

Insecten

Welke insecten vormen een risico voor je collectie? Hoe herken je een aantasting door insecten? Hoe voorkom je ze? En hoe bestrijd je ze?

wat

Insecten kan je groeperen volgens tal van uitgangspunten en invalshoeken. We volgen hier de indeling uitgewerkt door Agnes Brokerhof, senior onderzoeker Roerend Erfgoed bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed Nederland. Die gaat uit van de schade die ze veroorzaken aan erfgoed en hun gedrag: boorders, bijters, bewoners en bezoekers.

We sommen de meest voorkomende insecten op die in onze streken organisch bewerkt materiaal aantasten. De insectenfiches op de onderliggende webpagina's beschrijven per insect de eigenschappen, het gedrag en de bestrijdingsmethodes. Druk ze af en houd ze bij in het depot. Ze helpen je bij de geïntegreerde bestrijding.


BRONNEN

Insecten zijn mobiel en verspreiden zich in 'gunstige' omstandigheden (temperatuur, relatieve vochtigheid, gebrek aan onderhoud enz.) snel naar onbesmette zones. De meest gangbare manieren waarop erfgoed besmet raakt zijn:

  • volwassen insecten die van buiten binnenvliegen of -kruipen via ramen en deuren
  • verspreiding vanuit een besmette zone elders in het gebouw
  • verspreiding vanuit een aantasting in de bouwschil naar de collectie, voornamelijk van vogel-, wespen- en bijennesten in ongebruikte schoorstenen, geblokkeerde open haarden, achter plinten, verwarmingselementen, oude ventilatiebuizen, zolders en kapruimtes
  • binnenbrengen van licht aangetast materiaal waarvan de aantasting niet is opgemerkt: bv. nieuwe verwervingen, objecten uitgeleend van elders, objecten van de eigen collectie die terugkeren en elders zijn besmet
  • binnenbrengen van uitrusting (evenementen, tentoonstellingsmateriaal), ook planten, snijbloemen, houtblokken enz. 

Het belang en de relevantie van deze bronnen is afhankelijk van het type insect en het materiaal dat een risico vormt. Specifieke voorbeelden zijn de verspreiding van de tapijtkeverfamilie (Anthrenus species) of de pelskever (Attagenus) uit oude duivennesten, en de volwassen vrouwelijke tapijtkever (Anthrenus verbasci) of de kleine klopkever (Anobium punctatum) die door een open raam vliegen en eitjes leggen op objecten.

Voedingsbronnen voor insecten zijn er altijd genoeg in erfgoedinstellingen, zeker als er een variatie is aan materialen, vaak in een matige conditie. Het klimaat maar ook een zorgvuldig en frequent onderhoud zijn begrenzende factoren.

SCHADE

Typische vormen van schade door insecten zijn:

  • onregelmatige gaatjes
  • gangen
  • 'afgegraasd' oppervlak.

Kijk voor meer gedetailleerde informatie in de insectenfiches.

GEïNTEGREERDE INSECTENBESTRIJDING

Een geïntegreerde insectenbestrijding begint en eindigt niet met een behandeling: als je insectenvraat opmerkt, ben je al te laat. Het is belangrijker de omgeving onaantrekkelijk te maken en zo de insecten te weren. Als er eenmaal aantasting is, is die vaak niet te overzien en is de kans groot dat de hele collectie is aangetast.

Onderaan vind je de schematische voorstelling van een geïntegreerde insectenbestrijding (IPM). Er is een belangrijk verschil tussen de linkerzijde, met acties gericht op preventie, en de rechterzijde, waar controle van een aantasting centraal staat.

In wat volgt vatten we de aspecten samen waarmee je rekening houdt bij een geïntegreerde insectenbestrijding (bron: Het loopt in de papieren). Zo'n bestrijding is echter maatwerk en moet je bedenken vanuit je eigen situatie.

1. Voorkomen

  • Houd de relatieve vochtigheid lager dan 60% en de temperatuur lager dan 18°C. 
  • Zorg voor voldoende ventilatie en vermijd microklimaten.
  • Houd de ruimtes en voorwerpen net en stofvrij.
  • Plaats voorwerpen 15cm van de vloer.
  • Zorg dat het gebouw in goede conditie verkeert.

Tips & trucs

  • Alleen het verlagen van de relatieve vochtigheid volstaat niet om insecten te weren. Toch kunnen lokale plekken met een hoge relatieve vochtigheid schimmelvorming veroorzaken, die op haar beurt bepaalde insecten aantrekt, zeker bij gebrek aan onderhoud.
  • De verspreiding van de meeste insecten rem je bij een temperatuur van 10-15°C. Daarom is een schone, koele en droge omgeving doeltreffender dan andere bestrijdingsmethodes.
  • Als je er niet in slaagt het klimaat te beheersen, focus dan op het onderhoud van het gebouw. Een regelmatig, zorgvuldig onderhoud (interieur en exterieur) houdt 90% van de schadelijke insecten weg. 
  • Insecten hebben een neus voor stoffige, verlaten plekjes waar ze niet worden gestoord. Onderhoud dus niet alleen de voor bezoekers zichtbare plekken, maar ook hoeken, plinten enz.: plekken waar stof en vuil zich verzamelen en waar insecten zich thuis voelen.


2. Blokkeren

  • Voorkom dat insecten door bouwkundige gebreken kunnen binnensluipen.
  • Voorkom dat insecten via bezoekers en personeel de collectieruimtes binnenkomen.
  • Plaats geen verpakkingsmateriaal in de collectieruimtes.
  • Controleer alle inkomende voorwerpen en collecties.
  • Plaats aangetaste en verdachte voorwerpen in quarantaine.
  • Controleer of verdacht materiaal insectenaantasting vertoont. Isoleer en behandel actieve aantastingen.

Tips & trucs

  • Houd bloemen, planten en struiken zo veel mogelijk weg van en uit het gebouw.
  • Dicht alle openingen rond leidingen, afvoerpijpen en bedrading. 
  • Plaats op maat gemaakte tochtstrippen rond buitendeuren en ramen, zeker bij de depotruimtes waar het erfgoed wordt bewaard.
  • Gebruik in de mate van het mogelijke fijnmazige horren bij het openen van de ramen. Vraag hierover raad aan de erfgoedconsulent Onroerend Erfgoed in je provincie als het gebouw is beschermd.
  • Doeltreffend onderhoud betekent ook dat je de voedselbronnen verwijdert, voorkomt dat stof en vuil zich opstapelen en gladde oppervlakken behoudt (indien nodig door opwrijven). Als je insectenvraat ontdekt, voer je de frequentie op.
  • Onderhoud ook minder toegankelijke plekken. 
  • Kies voor onderhoudsvriendelijk opslag- en tentoonstellingsmateriaal.
  • Laat geen eten of drank toe in de opslagruimtes.


3. DETECTEREN

Voer regelmatig visuele inspecties uit in het gebouw én in de collecties. 

  • De meeste schadelijke insecten zijn piepklein, wat visuele inspectie niet makkelijk maakt. De eitjes zijn zelden zichtbaar en de larven tasten vaak vergeten of onzichtbare plekjes aan, waardoor je ze pas opmerkt als de schade al is ontstaan. Toch kan je met een goede verlichting of een goede zaklamp de aanwezigheid van schadelijke insecten opmerken: door vers boormeel (bij houtboorders), spinsel (bij motten), aangevreten zones of restanten van huiden (bij mutatie van bv. wolbeertjes).
  • Het is heel belangrijk de insecten in een vroeg stadium van de aantasting op te sporen. Investeer daarom tijd en geld in een zorgvuldig onderzoek van alle binnenkomende stukken: kijk ze na op levende insecten, vers boormeel, webben, verse uitvliegopeningen (houtboorders), aangevreten zones enz.
  • Leg verdacht materiaal in quarantaine, licht het geheel door op insectenvraat en behandel het zo snel mogelijk. 
  • Als je materiaal eenmaal hebt opgeborgen in depot of tentoongesteld, is de kans groot dat je het voor lange tijd niet meer onderzoekt. Toch blijft het heel belangrijk de voorwerpen regelmatig te inspecteren om aantasting in een vroeg stadium op te sporen en zo de schade te beperken. Las daarom een inspectieronde in (minimum twee keer per jaar) met een logboek waarin je bijhoudt welke insecten, schade en sporen je hebt aangetroffen. Betrek hierbij het onderhoudspersoneel: tijdens het poetsen moet iedereen oog hebben voor dode insecten die schadelijk kunnen zijn en voor aanwijzingen van een aantasting. 
  • Kijk niet alleen het erfgoed na, maar ook ander materiaal dat het risico loopt op aantasting door insecten, zoals houten rekken, plinten, trapjes en organisch verpakkingsmateriaal.
  • Licht het gebouw door en markeer risicozones. Dat zijn niet alleen bepaalde locaties in het gebouw, maar ook plaatsen waar erfgoed zit met risico op aantasting of dat al is aangetast geweest. Stel op basis van de risicozones een plan op voor de inspectie en monitoring (met vallen).
  • Als je een ladenkast nakijkt op aantasting door houtboorders, verwar dan boormeel niet met 'schuifmeel' van het opentrekken van de laden. Boormeel is cirkelvormig, schuifmeel eerder langwerpig en onregelmatig van vorm.
     

Zet een detectiesysteem op met insectenvallen.

Visuele inspectie van de collectie is de belangrijkste vorm van monitoring, maar je combineert dat het best met een detectiesysteem van insectenvallen.

  • In de insectenfiches lees je met welk soort val je bepaalde insecten best detecteert.
  • Let wel: er is altijd een kans dat de insecten de val niet passeren. De effectiviteit van een val kan worden vergroot door er een specifieke lokstof in te plaatsen, zoals:
      • speciaal voedsel (bv. kakkerlakkenpil)
      • een sekslokstof (seksferomoon). Feromonen zijn stoffen die insecten afgeven om met elkaar te communiceren. Seksferomonen worden door vrouwtjes afgegeven om mannetjes te lokken. Zij zijn soortspecifiek: andere soorten reageren er niet op. De kunstmatig geproduceerde versie is bovendien niet voor elke soort even efficiënt. Gebruik nooit feromonenvallen van verschillende merken om eenzelfde insect aan te trekken: de kans bestaat dat ze in de war raken en niet naar de val vliegen. Een combinatie van verschillende feromonenvallen voor diverse insecten kan wel, bv. een voor de kleermot en een voor de tapijtkever.
      • een bepaalde kleur licht.
  • Een spinnenweb is een natuurlijke insectenval en een nuttige indicator van de aanwezigheid van insecten. Maar het is vooral een teken van een gebrek aan onderhoud.

 

Plakvallen (blunderval, lijmval)

Voor algemeen gebruik zijn eenvoudige plakvallen zeer geschikt. Ze bestaan uit een simpele constructie van karton of plastic met een plakbodem waar alles op blijft kleven dat in de val terechtkomt. Er wordt een speciale geurvrije lijm gebruikt die de insecten niet afschrikt en die lang blijft kleven. Dankzij de tentconstructie valt er weinig stof op. Toch verliest de plakbodem na enige maanden zijn kleefkracht en moet val of bodem worden vervangen. Plakvallen geven een algemeen beeld van de insecten die in het gebouw of de collectie aanwezig zijn.

Deltaval
  • vangt kruipende dieren en (met feromoon) motten
  • een doorgaans driehoekig kartonnen tentje met plakbodem
  • met de beide openingen in de looproute van de insecten plaatsen, meestal parallel aan de plint
  • makkelijk toegankelijk voor kleine insecten, uitgezonderd de kakkerlakval met opstaande rand
  • er is een kleine kans dat vleermuizen in de driehoekige blundervallen sterven: kleef een strip papier van 1cm over alle openingen.

Predator-trap
  • vangt kruipende insecten
  • meer 'luxueuze' variant
  • wit of zwart plastic doosje, in verschillende vormen, met verwisselbare plakvellen (alles afzonderlijk verkrijgbaar)
  • op termijn goedkoper dan deltavallen
  • strak, zonder kier, tegen de plint plaatsen. 

Diamond-trap
  • vangt vliegende insecten
  • een ruitvormig karton of kunststof ter grootte van een A4'tje
  • voorzien van seksferomoon geeft de val goede resultaten voor kleermotten.

 

Valkuilvallen

Bij een valkuilval lopen de insecten tegen een randje op en vallen ze in een kuil, waar ze bijvoorbeeld in olie verdrinken. De val kan worden voorzien van lokstoffen en wordt soms voor tapijtkevers gebruikt. Hij wordt weinig in collecties toegepast.

Voor het vangen van zilver-, papier- en ovenvisjes kunnen zelfgemaakte valkuilvallen worden gebruikt. Door een plastic bekertje of glazen potje aan de buitenkant met papier te omwikkelen, kunnen de insecten omhoogkruipen. Als ze in het gladde bekertje of potje vallen, kunnen ze er niet meer uit.


Elektrische vallen

Veel volwassen insecten worden door uv-licht (golflengte <400 nm) en soms ook door groen licht (500-550 nm) aangetrokken. De gelokte insecten worden geëlektrocuteerd door stroomdraadjes om de lamp en vallen in een verzamelbakje, of ze blijven kleven op een lijmvel rond de lamp. Men moet de lampen zo plaatsen dat er geen dieren van buiten in de ruimte worden aangetrokken. De kwaliteit van de lampen loopt in acht maanden tijd geleidelijk terug, daarna gaat het snel. Als de lampen in het vroege voorjaar worden vervangen, branden ze in het actieve insectenseizoen op volle sterkte. Collecties die niet in gesloten kasten of dozen zitten, moeten tegen de uv-straling worden beschermd door ze af te dekken met bijvoorbeeld een dichtgeweven ongebleekte katoenen doek of met een zwarte doek. 

De goedkope blauwlichtvallen die voor particulieren in de handel zijn, hebben vaak blauw geschilderde vallen met een korte levensduur. Ze stralen geen uv-licht uit en trekken dan ook geen insecten aan. Bovendien laat hun veiligheid te wensen over. 


Stappenplan bij het invoeren van een monitorsysteem

  1. Onderzoek de site en stel een plan op met de lokalisatie van de vallen: ofwel in een regelmatig patroon, ofwel volgens het gedrag van de insecten die je wil opsporen (zie insectenfiches). Motten zijn bijvoorbeeld lichtschuw, terwijl licht zilvervissen juist aantrekt. Plaats vallen eerder op de vloer in hoeken en dicht bij een muur dan in het midden van een open zone. Plaats vallen ook in risicozones, zoals naast een ongebruikte open haard. Hoe meer vallen je plaatst, hoe groter de 'pakkans'. Houd er wel rekening mee dat dit ook meer tijd vraagt.
  2. Plaats de plakvallen en dateer ze. Markeer hun lokalisatie op een plattegrond (per verdieping) van het gebouw.
  3. Controleer de vallen op regelmatige en het liefst vaste tijdstippen. Sommige insecten hebben een specifieke uitvliegperiode: in de lente tot einde zomer. Vier keer per jaar en zeker aan het begin (lente) en het einde van de uitvliegperiode (einde zomer) is aan te raden, bij voorkeur in maart, juni, september en december. Als je de ruimte verwarmt voor het comfort van de bezoekers en er het hele jaar door ongeveer dezelfde temperatuur heerst, is de uitvliegperiode minder strikt en kan je ook op andere momenten in het jaar controleren. 
  4. Identificeer de aangetroffen insecten aan de hand van de insectenfiches en noteer alle vondsten en activiteiten in een logboek.
  5. Als je een plakval bij een deur of raam plaatst, is de kans groot dat je heel veel insecten vangt. Vervang de val dan frequenter. 
  6. Evalueer je vondsten over een lange periode. Dit geeft je een beeld van de verspreiding van de insecten. Bijkomende vallen plaats je het best als je op zoek bent naar de haard van een aantasting.


4. Reageren

Als je een aantasting aan het erfgoed opmerkt:

  1. Lokaliseer alle aangetaste voorwerpen.
  2. Isoleer alle aangetaste voorwerpen (quarantaine).
  3. Achterhaal de bron van de aantasting (bv. waterlek, vogelnest...) en verwijder die.


5. Remediëren

  1. Bepaal wat er moet worden behandeld.
  2. Ga na welke mogelijkheden er zijn: zie het hoofdstuk bestrijdingsmethodes.
  3. Maak een keuze.
  4. Maak de ruimte zorgvuldig schoon.
  5. Ga terug naar stap 1, neem de oorzaak van de aantasting weg en plaats de voorwerpen pas daarna terug.

Textiel invriezen

Laatst gewijzigd op 11/02/2017