U bent hier

Materialen en technieken schilderijen

Materialen en technieken schilderijen

Schilderijen kan je opsplitsen in werken op mobiele en immobiele dragers:
- immobiele dragers zijn bijvoorbeeld muurschilderingen, fresco's enzovoort
- mobiele dragers zijn paneel, doek, koper, karton, ivoor enzovoort.

In deze rubriek worden enkel verplaatsbare werken besproken ('de ezelschilderkunst').

Auteur: David Lainé, 2016

©A-C Olbrechts

Een schilderij bestaat steeds uit een drager en diverse verflagen. Meestal is de drager voorzien van een voorlijming en een preparatielaag waarop de verflaag is aangebracht. De verflaag op zich bestaat vaak uit verschillende lagen. Te onderscheiden zijn:

DRAGER

  • hout (voorbeeld: eik, populier, mahonie...)
  • doek (voorbeeld: linnen, katoen, jutte)
  • metaal (voorbeeld: koper, ijzer, tin, lood...)
  • karton
  • papier
  • ivoor

De keuze van de drager wordt bepaald door een combinatie van factoren, zoals:

  • de geografie (eikenhout in Noord-Europa, populierenhout in Zuid-Europa)
  • het beoogde eindaspect of de esthetiek

  • het budget van de opdrachtgever. Voorbeeld: een koperpaneel is duurder dan een paneel; een paneel is duurder dan doek.
  • de functie van het kunstobject. Voorbeeld: een portremedaillon op ivoor dat als juweel wordt gedragen.

 

PREPARATIE

  • voorlijming (meestal huidenlijm)
  • grondering (krijt of gips met dierlijke lijm, loodwit en lijnolie)

De keuze van de preparatietechniek wordt sterk beïnvloed door het materiaal van de drager en het gewenste eindaspect. Alle lagen reageren anders op externe factoren. De twee beïnvloeden elkaar ook onderling door hun eigen gedrag en verouderingsproces.

Sommige dragers bestaan uit een samenstelling van twee verschillende dragers. Als het gaat om een zachte drager die op een harde drager werd aangebracht, spreekt men van een marouflage (bv. doek gekleefd op paneel). Een marouflage kan oorspronkelijk zijn, maar het kan ook om een latere ingreep gaan tijdens een restauratiecampagne.

 

(verf)laGEN

  • ondertekening (kan bestaan uit houtskool, krijt, olieverf of inkt: kan zijn aangebracht met penseel, pen, veer of zilverstift)
  • isolatielaag (meestal lijnolie)
  • imprimatura (gewassen kleurlaag boven op de grondering met als doel een optische binding vormen in schaduw- en halfschaduwzones). Over de juiste definitie van deze term bestaat discussie.
  • olieverflagen (pigment gebonden in oliebindmiddel (lijnolie, papaverolie, notenolie), in een opbouw van mager naar vet

De verflaag bestaat uit pigmenten gebonden in een bindmiddel. Het pigment bepaalt de kleur van de verf, en het bindmiddel bepaalt de techniek. Pigmenten kunnen onderverdeeld worden in twee groepen:

  • organische pigmenten zijn afkomstig van planten en dieren. Ze bevatten koolstofverbindingen. Van verschillende pigmenten bestaat er tegenwoordig vaak een goedkoper synthetisch equivalent: Indisch geel, sepia, kraplak, violet, karmijn...;
  • anorganische pigmenten worden gewonnen uit mineralen, zoals loodwit, cadmiumgeel, gele oker, gebrande sienna, rauwe omber, kobaltblauw...


Het bindmiddel bepaalt de schildertechniek. De lijst hieronder vermeldt verftypes en hun bindmiddel: 

verftype         

bindmiddel

datering                               

olieverf
lijnolie (met toevoeging van papaverolie, notenolie...)
vanaf 14de eeuw
aquarelverf
Arabische gom (met toevoeging van dragantgom, ossegal, glycerine...) 
vanaf 700 v.Chr.
acrylverf
acryl (dispersie van polyacrylaten en polymethylacrylaten)
vanaf 1949
encaustiek 
was (bijenwas, carnaubawas)    
vanaf 1000 v.Chr.
eitempera
eigeelemulsie
vanaf 700 v.Chr.
alkydverf
alkydhars                                                                                     
vanaf 1976


Elke schildertechniek heeft kenmerkende eigenschappen, zowel tijdens het creatieproces als in het finale resultaat. Bij elke techniek kunnen er toevoegingen of 'schildermediums' gebruikt worden die invloed hebben op het karakter van de verflaag. Ze bepalen mee het aspect van de verf op het vlak van: uitvloeiing, glans, volume, droogtijd, transparantie en dekkracht. Hierdoor kunnen sommige verfsoorten optisch sterk op elkaar lijken. 

beschermlaag

vernis (damar, mastix, copal, regalrez, laropal, DMSA...) met toevoeging van olie of was

De beschermlaag bestaat meestal uit een vernislaag. Die fungeert niet enkel als beschermlaag maar geeft het schilderij ook een bepalend glansaspect en een kleurdiepte. Niet in elke periode van de kunstgeschiedenis is er standaard een vernislaag aangebracht (bv. niet in het impressionisme). Zonder beschermlaag wordt de verflaag meer blootgesteld aan externe factoren en is ze gevoeliger voor schade: vuil en stof kunnen er zich hardnekkiger in vastzetten.

Door de eeuwen heen werden verschillende stoffen gebruikt als bescherm- of vernislaag:

  • eiwit
  • lijmen (huidenlijm, steurlijm...) 
  • harsen (mastix, dammar, copalschellak...)
  • gommen (Arabische gom...)
  • oliën (lijnolie...)
  • synthetische harsen (regalrez, laropal, paraloid...)
  • wassen (bijenwas, microkristallijne was...)
Laatst gewijzigd op 27/07/2016