U bent hier

Meest voorkomende insecten in collecties

Meest voorkomende insecten in collecties

Wil je weten welke insecten een bedreiging vormen voor je collectie, dan heb je informatie nodig over hun uitzicht, gedrag en voedselvoorkeur. De meeste schadelijke insecten zijn piepklein, waardoor je ze niet makkelijk kan opsporen. Als je meer weet over hun gedrag en hun voorkeur, kan je ze makkelijker opsporen en bestrijden. 

Insecten kan je indelen volgens tal van criteria. Wij volgen hier de indeling zoals die is uitgewerkt door Agnes W. Brokerhof, Bert van Zanen, Ko van de Watering en Henk Porck, in de publicatie Het loopt in de papieren. Geïntegreerde bestrijding van insecten in collecties (zie link).


boorders

  • Insecten die tot diep in het voorwerp doordringen. 
  • De larven leven gedurende langere tijd in het materiaal, meestal hout of papier (cellulose). Ze knagen gangen tot ze verpoppen en als volwassen kever uitvliegen. 
  • Je vindt voornamelijk volwassen dieren. Larven en poppen zitten in het hout verscholen. 
  • Uitvliegopeningen en boormeel dat uit de 'gangen' valt zijn eerste aanwijzingen voor een aantasting en voor identificatie van de soort. 
  • Vaak komen de insecten uit bouwconstructies en meubels in andere voorwerpen terecht. De bestrijding van boorders vergt een methode die tot de kern van het voorwerp doordringt. 
  • Voorbeelden van dit type: kleine klopkever (Anobium punctatum), bonte knaagkever (Xestobium rufovillosum) en boktor.


BIJTERS

  • Insecten die het oppervlak van een voorwerp aanvreten. 
  • De larven leven op, en soms een beetje in, het voorwerp. Zij knagen door of grazen over het materiaal, dat meestal van dierlijke oorsprong is. Soms is het ook plantaardig, maar ze boren niet in hout. 
  • Men kan zowel larven, poppen als volwassen dieren aantreffen. De bestrijding richt zich op de behandeling van de voorwerpen. 
  • Schade: zichtbaar door gaten en kale plekken in het materiaal, het afval dat de larven produceren en door spinsel en cocons op het voorwerp. 
  • Voorbeelden van dit type zijn tapijtkevers en motten. Brood- en tabakskevers behoren weliswaar tot de klopkevers (ze lijken sterk op de houtworm), maar op grond van de schade die ze aanrichten worden ze bij de bijters ingedeeld.


bewoners

  • Insecten die ergens in de ruimte leven, rondkruipen en zich voeden met het materiaal van de collectie, zonder echt in de voorwerpen te leven.
  • Dieren die een onvolledige metamorfose doorlopen. Je zal zowel nimfen als volwassen dieren aantreffen, hoewel de kleine nimfen vaak nog niet opvallen.
  • Schade: ze veroorzaken vraatschade en bevuilen de voorwerpen met uitwerpselen, maagsappen en vet. Vaak zorgen ze ook voor stank in de collectie. 
  • De aanwezigheid van deze insecten hangt meestal samen met de omstandigheden in de collectieruimte of in de verpakking (microklimaten). Ze vinden er blijkbaar een aantrekkelijk klimaat, voldoende schuilplaatsen en voedsel in de vorm van vuil, afval en schimmel. 
  • Vaak beginnen ze pas in tweede instantie aan de collectie. De bestrijding van dit type richt zich op het veranderen van de omstandigheden in de ruimte, zodat de dieren er zich niet meer thuisvoelen (stap 1 geïntegreerde insectenbestrijding). Veelal betekent dat het verlagen van de relatieve luchtvochtigheid (RV) en mogelijk ook de temperatuur (T), en het weren van de dieren uit het gebouw (stap 2 geïntegreerde insectenbestrijding).
  • De voorwerpen en de ruimte moeten goed worden schoongemaakt en eventueel worden behandeld. Voorbeelden van dit type zijn franjestaarten (zilver-, papier- en ovenvisjes), kakkerlakken, boek- en stofluizen.


bezoekers

  • Alle insecten die men in de ruimte aantreft maar die geen directe schade aan de collectie veroorzaken. Ze komen toevallig binnen, op zoek naar voedsel of een schuilplaats om te overnachten of te overwinteren. Hun aanwezigheid is een aanwijzing voor 'lekken' in het gebouw. Als zij binnen kunnen komen, kunnen schadelijke insecten dat ook!
  • Schade: indirect door vervuiling.
  • Als ze doodgaan, zijn ze aantrekkelijk voedsel voor insecten van typebijters en bewoners, die vervolgens aan de collectie beginnen. Of ze vormen een voedingsbodem voor schimmel. 
  • Meestal treft men van dit type de volwassen dieren aan. 
  • Bestrijding richt zich vooral op het weren van de insecten uit het gebouw (stap 2 geïntegreerde insectenbestrijding). 
  • Voorbeelden van dit type insect zijn: (gaas)vliegen, wespen en lieveheersbeestjes. In de meeste gevallen biedt de combinatie van schade aan de collectie en aangetroffen insecten(resten) voldoende aanknopingspunten om te bepalen met welk type insect men te maken heeft.


bestrijding

De identificatie op soort is niet absoluut noodzakelijk. Toch verdient het de voorkeur aangetroffen insecten te identificeren. Zeker wanneer je tijdens een controle insecten aantreft - ergens in het gebouw of in insectenvallen - zonder dat er direct schade aan de collectie te zien is, moet je weten of ze al dan niet een bedreiging vormen. Voor de identificatie van insecten kan je gebruik maken van vergelijkingsmateriaal in de vorm van plaatjes en foto's in boeken die hierover zijn gepubliceerd, van determinatiesleutels en -tabellen en van een zelf aangelegde collectie met voorbeelden van gevonden en geïdentificeerde insecten. 
Uiteraard kan je ook experts raadplegen, bijvoorbeeld bij een natuurmuseum in de omgeving.


Insectenvallen

Je kan insecten monitoren door insectenvallen, maar kijk in de eerste plaats regelmatig de collectie zelf na op aantasting! Hieronder vind je een lijst van de soorten vallen. In de insectenfiches lees je welke vallen geschikt zijn om het insect te vangen.

Voor het monitoren zijn verschillende insectenvallen beschikbaar. De effectiviteit van een val kan worden vergroot door er een lokstof in te plaatsen, bijvoorbeeld geconcentreerd voedsel (kakkerlakkenpil). Om gericht een bepaalde soort te vangen kan je een specifieke lokstof toevoegen, zoals speciaal voedsel, een sekslokstof (seksferomoon) of een bepaalde kleur licht. Feromonen zijn stoffen die insecten afgeven om met elkaar te communiceren. Seksferomonen worden door vrouwtjes afgegeven om mannetjes te lokken. Zij zijn soortspecifiek, andere soorten reageren er niet op.

 

PLAKVALLEN 

Voor algemeen gebruik zijn eenvoudige plakvallen zeer geschikt. Ze bestaan uit een simpele constructie van karton of plastic met een plakbodem waar alles op blijft kleven dat in de val terechtkomt. Er wordt een speciale geurvrije lijm gebruikt die de insecten niet afschrikt en die lang blijft kleven. Dankzij de tentconstructie valt er weinig stof op. Toch verliest de plakbodem na enige maanden zijn kleefkracht en moet val of bodem worden vervangen. Plakvallen geven een algemeen beeld van de insecten die in het gebouw of de collectie aanwezig zijn.

De bekendste plakval is de deltaval, een kartonnen tentje met plakbodem. Hij wordt met de beide openingen in de looproute van de insecten geplaatst, meestal parallel aan de plint. De deltaval vangt rondkruipende dieren en motten, en heeft als voordeel dat hij makkelijk toegankelijk is voor kleine insecten. De val heeft vele varianten, zoals een asymmetrische vorm die met seksferomoon voor Tineola bisselliella als kleermotval wordt verkocht en goede resultaten geeft. De kakkerlakval is een grotere, plattere en langere plakval die meestal in combinatie met een voedsellokstof wordt gebruikt. Hij vangt vooral kakkerlakken; kleine rondkruipende insecten hebben moeite om over het opstaande randje binnen te komen.

De Predator-trap is een meer 'luxueuze' variant die veel in archieven wordt gebruikt. De val bestaat uit een wit of zwart plastic doosje, rechthoekig of halfrond. Het deksel is scharnierend bevestigd aan de bodem en wordt met een kliksysteem vastgezet. De verwisselbare plakvellen worden in de bodem geschoven. De insecten lopen via een talud in de val. Die val wordt strak, zonder kier, tegen de plint geplaatst. Doosjes, plakvellen en lokmiddel zijn afzonderlijk verkrijgbaar. Op termijn blijkt dit een goedkopere oplossing te zijn dan de deltavallen. De val wordt met succes in archieven gebruikt om rondkruipende insecten te vangen. Hij is niet geschikt voor het vangen van motten. 

Voor vliegende insecten wordt vaak met grotere plakvallen gewerkt zoals de Diamond-trap, een ruitvormig gevouwen vel karton of kunststof ter grootte van een A4'tje. Voorzien van seksferomoon geeft de val goede resultaten voor kleermotten.


VALKUILVALLEN

Bij een valkuilval lopen de insecten tegen een randje op en vallen ze in een kuil, waar ze bijvoorbeeld in olie verdrinken. De val kan worden voorzien van lokstoffen en wordt soms voor tapijtkevers gebruikt. Hij wordt weinig in collecties toegepast.

Voor het vangen van zilver-, papier- en ovenvisjes kunnen zelfgemaakte valkuilvallen worden gebruikt. Door een plastic bekertje of glazen potje aan de buitenkant met papier te omwikkelen, kunnen de insecten omhoogkruipen. Als ze in het gladde bekertje of potje vallen, kunnen ze er niet meer uit.


ELEKTRISCHE VALLEN

Veel volwassen insecten worden door uv-licht (golflengte <400 nm) en soms ook door groen licht (500-550 nm) aangetrokken. De gelokte insecten worden geëlektrocuteerd door stroomdraadjes om de lamp en vallen in een verzamelbakje, of ze blijven kleven op een lijmvel rond de lamp. Men moet de lampen zo plaatsen dat er geen dieren van buiten in de ruimte worden aangetrokken. De kwaliteit van de lampen loopt in acht maanden tijd geleidelijk terug, daarna gaat het snel. Als de lampen in het vroege voorjaar worden vervangen, branden ze in het actieve insectenseizoen op volle sterkte. Collecties die niet in gesloten kasten of dozen zitten, moeten tegen de uv-straling worden beschermd door ze af te dekken met bijvoorbeeld een dichtgeweven ongebleekte katoenen doek of met een zwarte doek. 

De goedkope blauwlichtvallen die voor particulieren in de handel zijn, hebben vaak blauw geschilderde vallen met een korte levensduur. Ze stralen geen uv-licht uit en trekken dan ook geen insecten aan. Bovendien laat hun veiligheid te wensen over. 


hoe gebruik je de insectenfiches?

De insectenfiches geven je een beeld van de insecten die de collecties in onze streken bedreigen en helpen je bij de geïntegreerde insectenbestrijding. Van elk insect hebben we de relevante informatie verzameld.

Het gaat om een recto-verso per insect, met telkens uitleg over:

  • uiterlijke kenmerken (met foto)
  • gedrag
  • cyclus
  • voedsel
  • schade
  • uitvliegperiode (indien relevant)
  • ideale klimaatcondities
  • type geschikte val


De cijfers die we naast de titel aangeven, verwijzen naar de 5 stappen van geïntegreerde insectenbestrijding (= 5 stappen van geïntegreerde risicobeheersing van de 10 schadefactoren). Zie het schema onderaan op deze pagina.

  1. VOORKOMEN
  2. BLOKKEREN
  3. DETECTEREN
  4. BEPERKEN
  5. BESTRIJDEN


Hieronder vind je de betekenis van de gebruikte afkortingen:

T° = temperatuur
RV = relatieve vochtigheid

De tekeningen in zwart (silhouetten) geven de ware grootte van het insect aan. Is er geen silhouet zichtbaar, dan is het insect met het blote oog niet of nauwelijks zichtbaar. 

De insectenfiches zijn gebaseerd op informatie uit: 

  • Agnes W. Brokerhof, Bert van Zanen, Ko van de Watering en Henk Porck, in de publicatie Het loopt in de papieren. Geïntegreerde bestrijding van insecten in collecties (zie link)
  • www.museumpests.net 
  • www.whatseatingyourcollection.com
  • The Collections Trust Insect Fact Sheets


Laatst gewijzigd op 06/07/2016